Nieuwe taalmaten bij het analyseren van Spontane Taal bij Afasie: een waardevolle toevoeging?

Deze maand heeft de werkgroep literatuur een artikel samengevat dat twee onderzoeken beschrijft naar nieuwe taalmaten bij het analyseren van spontane taal volgens de ASTA.

Boxum, E., van der Scheer, F., van Werven, N., Dirksen, W., & Jonkers, R. (2019). Toevoeging van nieuwe linguïstische en communicatieve maten binnen de huidige ASTA. Stem-, spraak- en taalpathologie, 24, 23-40

Inleiding

Eén van de kenmerken van afasie is een stoornis in de spontane taal (Van der Scheer, 2009; Vermeuelen & Bastiaans, 1984). Om de spontane taal te analyseren, wordt er in Nederland gebruik gemaakt van de Analyse voor Spontane Taal bij Afasie (ASTA) (Boxem, van der Scheer en Zwaga, 2013). De ASTA is in 2005 ontwikkeld en in de jaren daarna vernieuwd uitgebracht. Het huidige protocol dateert uit 2013 en bestaat uit twaalf linguïstische taalmaten. Op basis van deze maten kan er een uitspraak worden gedaan over de fonematische, lexicaal-semantische en de morfosyntactische vaardigheden van personen met afasie (PMA) (Bastiaanse, 2011).
In het huidige ASTA-protocol wordt spontane taal uitgelokt door een aantal standaardvragen afgeleid van de vragen die gesteld worden bij de opname voor de Spontane Taal van de Akense Afasie Test (Graetz, de Bleser en Willmes, 1992). Er dienen tenminste drie verschillende onderwerpen aan bod te komen. Een sample van 300 woorden wordt geanalyseerd.
De klinisch linguïst beschrijft kwalitatief de spontane taal. Echter er zijn geen kwantitatieve maten waarbij zij zich kan baseren wat betreft het vaststellen of de afasie vloeiend of niet vloeiend is. Ook biedt de ASTA geen inzicht of de talige inhoud kloppend is of niet.

Dit artikel beschrijft 2 studies. Studie 1 onderzoekt tien communicatieve maten welke ingedeeld kunnen worden in vloeiendheid van het spreken, gerichtheid van het spreken en geautomatiseerde taal. Studie 2 onderzoekt vier nieuwe linguïstische maten om de lexicale vaardigheid van de patiënt specifieker te omschrijven.
In hoeverre deze zestien voorgestelde taalmaten een waardevolle toevoeging zouden kunnen zijn op de huidige ASTA maten werd onderzocht.
De taalproductie van mensen met verschillende vormen van afasie werd vergeleken met gezonde sprekers. Wanneer zij overeenkomstig zouden scoren, zou de taalmaat geen meerwaarde hebben. Wanneer er afwijkend gescoord zou worden, zou er gekeken moeten worden naar de klinische relevantie.

Methode

Studie 1
Vloeiendheid van het spreken werd onderzocht aan de hand van de maten ‘woorden exclusief linguïst’, ‘aantal /eh/’, ‘pauzes’, ‘valse starts’ en ‘onvolledige uitspraken’. Gerichtheid van het spreken werd onderzocht aan de hand van ‘geëxcludeerde woorden’ en ‘relevantie antwoord’. Geautomatiseerde taal werd onderzocht door de frequentie van ‘taalautomatismen’, ‘stereotypen’ en ‘echolalie’ vast te leggen.
Voor studie 1 werden 16 PMA geïncludeerd. De controlegroep bestond uit 20 niet-taalgestoorde proefpersonen. Allen hadden Nederlands als moedertaal.

Studie 2
Het aantal koppel- en modale werkwoorden wordt in het huidige protocol gezamenlijk geteld. Binnen deze studie wordt gekeken of het afzonderlijk scoren meer inzicht geeft in waar de PMA moeite mee heeft. Tevens werd de maat ‘voorzetsels’ onderzocht. Friederici (1982) heeft aangetoond dat PMA syntactische en lexicale voorzetsels anders verwerken en dat het type voorzetsel iets zou kunnen zeggen over de lexicale vaardigheid van de PMA. Ook het ‘aantal bijvoeglijke naamwoorden’ en het ‘aantal bijwoorden’ werd onderzocht. Bastiaanse et al. (1996) beschrijven dat PMA wellicht moeite hebben met het generen van bijwoorden in tegenstelling tot gezonder taalsprekers.
Voor studie 2 werden 14 PMA geïncludeerd. De controlegroep alhier bestond uit 40 niet taalgestoorde proefpersonen.

Voor beide studies werd een sample van de spontane taal verzameld volgens het ASTA-protocol (Boxem et al, 2013).

 

Resultaten

Studie 1
De PMA scoorden significant slechter dan de controlegroep op de maten ‘spreektempo’, ‘aantal pauzes’, ‘aantal valse starts’, ‘aantal geëxcludeerde woorden’ en ‘relevantie antwoord’. Voor de maten ‘taalautomatismes’ en ‘echolalie’ werd onvoldoende gescoord om statistisch te analyseren. Op de maat ‘stereotypen’ scoorden de PMA slechter dan de controlegroep.

Studie 2
De PMA scoorden significant slechter op de maten ‘bijvoeglijke naamwoorden’ en ‘koppelwerkwoorden’. Er werden geen verschillen gevonden voor het ‘aantal bijwoorden’, ‘aantal syntactische voorzetsels’ en ‘aantal lexicale voorzetsels’. Er werd een gelijk aantal modale (hulp)werkwoorden geproduceerd in de PMA-groep en controlegroep.

Conclusie

De genoemde studies onderzochten in hoeverre 16 taalmaten een waardevolle toevoeging zijn op de huidige ASTA. De PMA scoorden significant afwijkend op de controlegroep op de maten ‘spreektempo’, aantal pauzes’, ‘aantal valse starts’, aantal onvolledige uitingen, ‘aantal geëxcludeerde woorden’, ‘relevantie antwoord’, ‘aantal stereotypen’, ‘aantal koppelwerkwoorden’ en ‘aantal bijvoeglijke naamwoorden’.
De nieuwe taalmaten zijn van toevoegende waarde om de gevolgen van afasie completer in beeld te brengen.

Discussie

Om vast te stellen of de afasie vloeiend is of niet kunnen het ‘aantal valse starts’ en het ‘aantal onvolledige uitingen’ geteld worden. Het aantal pauzes is subjectief en de maat ‘woorden exclusief linguïst’ is te tijdrovend.
Geadviseerd wordt om de maat ‘koppelwerkwoorden’ op te nemen en de maat ‘modalen’ te laten vervallen. De bestaande maat geeft nu mogelijk een vertekend beeld omdat er geen verschillen zijn gevonden tussen PMA en de controlegroep.
De maat ‘bijvoeglijk naamwoorden’ zou toegevoegd kunnen worden om bij een lichte afasie of restafasie de hulpvraag woordvindproblemen vaste te kunnen stellen. Vaak zijn het aantal zelfstandig naamwoorden en werkwoorden dan niet afwijkend.

Naar aanleiding van het artikel

Gebruik jij de ASTA binnen de diagnostiekfase?
Denk je dat de voorgestelde nieuwe maten je een completer beeld geven van de afasie?

Geef een reactie