Hoeveel woorden aanbieden bij benoemtherapie?

In deze literatuursamenvatting wordt een onderzoek beschreven naar benoemtherapie. Er is onderzocht of het aantal woorden dat in de behandeling geoefend wordt van invloed is op de uitkomst van de behandeling en welk effect de ernst van de benoemstoornis hierop heeft.

Snell, C., Sage, K., & Lambon Ralph, M.A. (2010). How many words should we provide in anomia therapy? A meta-analysis and a case series study. Aphasiology, 24(9), 1064-1094.
http://dx.doi.org/10.1080/02687030903372632

Achtergrond

Een benoemstoornis is een veel voorkomend symptoom van afasie. Voor keuzes omtrent de optimale behandelmethode voor de benoemstoornis en voor beslissingen ten aanzien van behandelfrequentie en behandelduur kan de logopedist zich in toenemende mate baseren op de resultaten van bestaande studies. Voor zover bekend, zijn er echter geen studies die expliciet hebben onderzocht hoeveel woorden in de behandeling van benoemstoornissen geoefend dienen te worden. In deze studie is onderzocht of het aantal woorden dat in de behandeling geoefend wordt van invloed is op de uitkomst van de behandeling en welk effect de ernst van de benoemstoornis hierop heeft. Om deze vragen te beantwoorden is een meta-analyse uitgevoerd met gegevens uit bestaande effectiviteitsstudies naar benoemtherapieën. Daarnaast is er een therapiestudie uitgevoerd met 13 personen met een benoemstoornis, waarbij de behandeluitkomsten na oefening van een klein aantal woorden (= 20 woorden) werd vergeleken met behandeluitkomsten na oefening van een groot aantal woorden (= 60 woorden).

Methode

De meta-analyse is uitgevoerd op 21 effectiviteitsstudies naar benoemtherapieën die gepubliceerd zijn tussen 1985 en 2006. In de meta-analyse werden enkel studies geïncludeerd waarbij de benoemtherapie betrekking had op zelfstandig naamwoorden en waarbij de individuele scores vóór en na de behandelperiode voor zowel geoefende woorden (therapieset) als niet-geoefende woorden (controleset) gegeven waren. Inclusie van de studie in de meta-analyse was ongeacht het type verworven hersenletsel (o.a. CVA, traumatisch hersenletsel, dementie). In totaal werden 109 individuele datasets in de meta-analyse betrokken. Als maat voor de behandeluitkomst werd per individu de proportie goed benoemde woorden na de behandelperiode berekend, waarbij rekening gehouden werd met het aantal woorden dat de persoon met afasie (PMA) vóór de behandelperiode kon benoemen.

De 13 deelnemers in de therapiestudie hadden allen een chronische afasie als gevolg van een CVA en vertoonden een variërende ernst van de benoemstoornis. De interventie bestond uit 2 blokken therapie, bestaande uit 10 sessies per blok (duur per sessie: 30-90 minuten). In het ene blok werd een therapieset van 20 zelfstandige naamwoorden geoefend die de deelnemer niet correct kon benoemen vóór de behandelperiode; in het andere blok werd een therapieset van 60 zelfstandig naamwoorden geoefend. Welke therapieset als eerste werd aangeboden, werd willekeurig bepaald. De therapie- en controlesets waren gematcht voor woordfrequentie, aantal fonemen en aantal lettergrepen. De afbeeldingen van de desbetreffende therapieset werden iedere behandelsessie 3x aangeboden om te benoemen. Als de afbeelding niet binnen 10 seconde juist benoemd werd, werden progressieve fonematische en orthografische cues gegeven totdat succesvol benoemen van de afbeelding was bereikt. Als het hele woord via cueing was aangeboden, werd de deelnemer aangemoedigd het doelwoord te herhalen/hardop te lezen. Alle woordensets (kleine therapieset, grote therapieset, controlesets) werden onmiddellijk (binnen 1 week) en 5 weken na afloop van ieder therapieblok opnieuw getest. Als maat voor de behandeluitkomst werd dezelfde maat gebruikt als die was toegepast in de meta-analyse.

Resultaten

De meta-analyse vertoonde een grote variatie in het aantal woorden dat per participant in de behandeling werd aangeboden (variërend van 5 tot 120 items) en een grote verscheidenheid aan behandeluitkomsten die niet gerelateerd waren aan het aantal geoefende woorden. Opvallend was dat meer therapie-items werden aangeboden aan deelnemers met een ernstige afasie. Omdat de meta-analyse geen eenduidig antwoord kon geven op de vraag hoeveel woorden aangeboden zouden moeten worden in de behandeling van benoemstoornissen, werd de therapiestudie opgezet. In deze therapiestudie werd significante vooruitgang gevonden in de accuraatheid van benoemen voor zowel de kleine als de grote therapieset onmiddellijk en 5 weken na de behandeling. Hoewel er proportioneel geen verschil werd gevonden in vooruitgang op benoemen voor beide therapiesets voor de totale groep, werd er wel verschil in vooruitgang gevonden wanneer werd gekeken naar de absolute aantallen geleerde woorden. Twaalf van de 13 deelnemers leerden meer woorden wanneer de grote therapieset werd aangeboden (gemiddeld 39 woorden voor de totale groep, versus gemiddeld 15 woorden voor de kleine therapieset voor de totale groep). Hoewel er een verband werd gevonden tussen de ernst van de benoemstoornis en het aantal geleerde woorden, was de grootte van de therapieset hierop niet van invloed.

Conclusie

Deze studie suggereert dat PMA met een benoemstoornis meer woorden in de behandeling aankunnen en dat de ernst van de benoemstoornis niet noodzakelijk bepaalt hoeveel woorden in de behandeling geoefend kunnen worden.

Implicaties voor de praktijk

Hoeveel woorden bied jij aan in de behandeling van een PMA met een benoemstoornis? Zou je meer woorden kunnen aanbieden? Laat jij je bij de keuze voor het aantal te oefenen woorden leiden door de ernst van de benoemstoornis?

vrijdag 30-06-2017

in categorie:

Geen reactie

Geef je reactie

Laatste reacties

Webshop

  • Bestel online voorlichting, spel- en oefenmaterialen, de Afasie Nieuwslezer, Top! 2Games, Top! Woordvinding en meer.

    Webshop

Als deelnemer heb je toegang tot