Complexe relatie tussen talige vaardigheden van meertaligen voor en na een CVA

De werkgroep literatuur heeft een artikel samengevat, dat ingaat op de factoren die van invloed zijn op de talige vaardigheden van meertalige personen met afasie. Het stuk, gebaseerd op literatuuronderzoek en kleinschalig eigen onderzoek, levert interessante inzichten en stof tot nadenken op over onderzoek en behandeling van meertalige personen met afasie.

A. Lerman , M. Goral & L. K. Obler (2020). The complex relationship between pre-stroke and post-stroke language abilities in multilingual individuals with aphasia.
Aphasiology, 34:11, 1319-1340, DOI: 10.1080/02687038.2019.1673303

Achtergrond & aanleiding

Hoewel veel studies onderzoek doen naar diagnostiek en/of behandeling van meertalige personen met afasie en daarbij in gaan op zowel de vaardigheid vóór een CVA en de taalvaardigheid na een CVA is de relatie tussen beiden niet altijd duidelijk. Het doel van dit artikel is om de relatie tussen de taalvaardigheid van vóór en na het CVA te verhelderen. Hiertoe wordt een aantal factoren en hun onderlinge samenhang bij meertalige PMA onderzocht.
Meertaligen vormen zowel in talig als in cultureel opzicht een zeer heterogene groep. Zij hebben met elkaar gemeen dat zij in hun dagelijks leven meer dan één taal gebruiken. Bij meertaligen kan de beheersing van verschillende aspecten van taal (zoals morfosyntaxis, zinsbouw, woordenschat en fonologie) en taalmodaliteiten (spreken, begrijpen, lezen en schrijven) sterk uiteenlopen, afhankelijk van hun talige geschiedenis en opleidingsniveau.

Methode

Literatuuronderzoek plus dertien case studies, waarbij de focus op drie hoofdfactoren ligt:
1) taalverlies, zowel vóór als na een CVA
2) blootstelling aan en gebruik van taal
3) locatie van het hersenletsel

Onderzocht is hoe uiteenlopende factoren, waaronder tevens verwervingsleeftijd, en de interactie tussen deze factoren de premorbide vloeiendheid en de taalvaardigheden na het CVA beïnvloeden. De case studies zijn afkomstig uit de wetenschappelijke literatuur en uit klinisch onderzoek van de auteurs van het artikel.

Resultaten

Het kan een uitdaging zijn om de talige vaardigheden van een PMA vóór het CVA in kaart te brengen. Er is onvoldoende gestandaardiseerd testmateriaal voor meertaligen waarmee betrouwbare informatie kan worden vergaard en navraag bij de PMA en diens omgeving kan een vertekend beeld opleveren. Vaak is in de literatuur bovendien onduidelijk in hoeverre de ‘vaardigheden na het CVA’ in een bepaalde taal gelieerd zijn aan het doorgemaakte CVA en in hoeverre zij beïnvloed zijn door de premorbide taalvaardigheden.
Talrijke onderzoeken lijken aan te tonen dat verwervingsleeftijd een sterke voorspeller is van de taalvaardigheid na een CVA. Er is een verschil tussen een op jonge leeftijd verworven taal (T1, meestal verworven via immersie ofwel onderdompeling) en talen die op latere leeftijd (vaak in een leersituatie) zijn verworven (T2, T3 etc). Bij meertaligen kan echter sprake zijn taalverlies van T1 doordat zij, bijvoorbeeld na emigratie, minder aan hun moedertaal worden blootgesteld dan voorheen. Hierdoor kunnen onder meer woordvinding en lexicale diversiteit achteruitgaan; tevens kan het taalbegrip beter zijn dan de taalproductie – aspecten die ook worden gezien bij expressieve afasie. Bij het in kaart brengen van de vaardigheden in de verschillende modaliteiten vóór het CVA is het daarom essentieel om niet alleen het hoogst bereikte niveau van T1 te bepalen, maar ook wanneer de meertalige PMA deze zogeheten peak proficiency bereikte.
Bij meertaligen wordt er doorgaans vanuit gegaan dat grotendeels overlappende hersengebieden beide talen bedienen. Daarom wordt in het algemeen verondersteld dat schade aan het taalnetwerk bij meertaligen tot een vergelijkbare aantasting van beide talen leidt, afhankelijk van de vloeiendheid in die talen vóór het CVA. Daarnaast kan er schade zijn aan het taalcontrolenetwerk – het netwerk verantwoordelijk voor het selecteren, onderdrukken, plannen, schakelen en onderhouden van talen. Verondersteld wordt dat schade aan dit netwerk bij meertaligen kan leiden tot verschillen in de mate waarin talen zijn aangedaan; problemen met het taalcontrolenetwerk kunnen de ene taal beter toegankelijk maken dan de andere. Informatie over de locatie van de laesie kan daarom inzicht bieden in hoeverre taalstoornissen na een CVA al dan niet parallel zijn aan de vloeiendheid voorafgaand aan het CVA.
Slechts een beperkt aantal van de onderzochte case studies gaf voldoende inzicht in de locatie van de laesie én gedetailleerde informatie omtrent de taalvaardigheden in de verschillende talen voor en na het CVA. Het duiden van de gegevens werd verder bemoeilijkt door het feit dat een CVA vaak zowel het taalnetwerk als het controlenetwerk betreft. Gedetailleerde gegevens over de locatie van het letsel zijn essentieel om meertalige PMA te kunnen onderzoeken, maar deze kunnen niet fungeren als voorspeller van talige patronen of van herstel na een CVA. Tevens dient rekening te worden gehouden met andere factoren zoals taalverlies en taalomgeving en het effect daarvan op de talige vaardigheden.

Discussie

Genormeerde tests zijn zelden genormeerd voor de meertalige PMA. Daarom is het essentieel om informatie te verzamelen omtrent de vloeiendheid, de blootstelling aan en gebruik van taal vóór het CVA.
Als eerste moet worden bepaald welke talen de PMA sprak en op welke leeftijd deze zijn verworven.
Om een valide en compleet beeld te krijgen van de vloeiendheid vóór het CVA dient een aantal variabelen in kaart te worden gebracht. De vloeiendheid van T1 kan worden gemeten door het percentage dagelijks gebruik te inventariseren, alsmede of T1 de onderwijsstaal was, de mate van blootstelling aan T1 en een inschatting door de PMA van de eigen taalvaardigheid in T1. Voor T2 dienen al deze factoren te worden geïnventariseerd, evenals de verwervingsleeftijd, vloeiendheid binnen het gezin, en een inschatting door de PMA van het vertrouwen in het gebruik van T2. Door deze aanpak wordt zowel de absolute als relatieve vloeiendheid in kaart gebracht.
Een volgende stap zal zijn om in het veld met behulp van zo veel mogelijk meertalige PMA de degelijkheid en betrouwbaarheid van bestaande vragenlijsten te onderzoeken.
De beschikbaarheid van gedetailleerde informatie omtrent de locatie van de laesie zal afhankelijk zijn van de vraag of de logopedist in het ziekenhuis werkt en van lokale privacywetgeving. Logopedisten krijgen vaak alleen algemene informatie. Met behulp van meer gedetailleerde informatie kan de logopedist effectiever behandelen doordat bewust kan worden besloten om eventueel en zo ja hoe de talen tijdens de behandeling te scheiden, afhankelijk van het feit of er schade is aan het taalcontrolenetwerk. Als een meertalige PMA bijvoorbeeld twee talen door elkaar heen gebruikt en er geen schade aan het taalcontrolenetwerk zichtbaar is, kan dit beteken dat diegene hiermee woordvindingsproblemen probeert te omzeilen – in dat geval een strategie die tijdens de behandeling kan worden aangemoedigd.
Daarnaast dient de logopedist bij de behandeling van meertalige PMA rekening te houden met de tijd post onset en de blootstelling aan taal sindsdien.

Conclusie

Taalvaardigheden van meertalige PMA worden beïnvloed door een complex samenspel van talrijke factoren. Aangeraden wordt om middels een vragenlijst informatie te verzamelen over onder meer taalachtergrond, vloeiendheid vóór het CVA, taalverlies van een of meerdere talen, de taal van de omgeving (blootstelling aan en gebruik van) en de locatie van de laesie om een effectief behandelplan op te kunnen stellen. Hoewel bij het onderzoeken en behandelen van meertalige PMA met een veelheid aan factoren rekening moet worden gehouden, kan meer kennis omtrent de invloed van de talige geschiedenis, de locatie van de laesie en de talige stoornissen na het CVA helpen om met meer zekerheid conclusies te trekken op basis van uitkomsten van taalonderzoek na het CVA.

Implicaties voor de praktijk

De behandeling van meertalige PMA kan worden verbeterd als voor de verschillende talen zowel de absolute als de relatieve taalvaardigheid van vóór én na het CVA in kaart wordt gebracht en tevens rekening wordt gehouden met de locatie van het hersenletsel. Hoe is dit haalbaar te maken in de dagelijkse praktijk?

Christine Lucassen, logopedist Alrijne en Basalt Revalidatie

Geef een reactie

maandag 22-03-2021

in categorie:

Geen reactie

Geef je reactie

Laatste reacties

Webshop

  • Bestel online voorlichting, spel- en oefenmaterialen, de Afasie Nieuwslezer, Top! 2Games, Top! Woordvinding en meer.

    Webshop

Als deelnemer heb je toegang tot

Steun Stichting AfasieNet
met een donatie